Inloggen   Registreren     Dierenartsenpraktijk Deurne 

Vruchtbaarheid melkveeAfdrukken  

Baarmoederontsteking bij melkvee vaak onderschat.
Baarmoederontsteking is een veel voorkomend vruchtbaarheidsprobleem. Per bedrijf verschilt het aantal koeien met baarmoederontsteking sterk. Recent is gebleken dat veel melkveehouders het probleem onderschatten. Ongeveer de helft van de witvuilers blijft onopgemerkt.

 

Acuut en chronisch

Baarmoederontsteking komt voor in twee vormen. In acute vorm, binnen een week na afkalven, of in de chronische vorm (witvuilen). Een acute baarmoederontsteking gaat meestal over in een chronische vorm. Om de ziekte te voorkomen is het belangrijk om bij het afkalven zeer hygiƫnisch te werken. Ook de voeding speelt een rol. Beperk tijdens het eerste deel van de droogstand het energieniveau en verhoog dit sterk tijdens de laatste twee weken. Dit zorgt voor een geleidelijke voerovergang van droogstand naar lactatie. Ook de mineralenverstrekking (onder andere magnesium) verdient de nodige aandacht.

 

Acute baarmoederontsteking

Acute baarmoederontsteking treedt op in de eerste week na afkalven. De kenmerken zijn koorts en een stinkende, vaginale uitvloeiing. De aandoening komt bij ongeveer twintig procent van de koeien voor. Per bedrijf kan dit nogal verschillen. Er zijn bedrijven waarbij veertig procent van de koeien acute baarmoederontsteking krijgt. De belangrijkste risicofactoren zijn tweelinggeboorte, zware verlossing en het aan de nageboorte blijven staan. Ook verschillende aspecten van de voeding spelen een rol, zoals een te negatieve energiebalans bij het afkalven en een magnesiumtekort. De behandeling bestond in het verleden uit het inbrengen van een antibioticum in de baarmoeder,meestal een oxytetracycline-oplossing. Inmiddels is bekend dat een antibioticuminjectie meer effect heeft, bij een behandeling van minstens drie dagen.

 

Chronische baarmoederontsteking

Als de baarmoederhals een maand na afkalven een etterige uitvloeiing heeft, is er sprake van een chronische baarmoederontsteking. Vaak zijn er meer witvuilers dan wordt gedacht, omdat slechts de helft van de witvuilers uitwendig uitvloeiing laat zien. De andere helft is alleen op te sporen door inwendig onderzoek door de dierenarts. Uit verschillende buitenlandse onderzoeken
blijkt dat gemiddeld bij twintig procent van de koeien chronische baarmoederontsteking optreedt,
met een grote variatie tussen bedrijven. In een recent Amerikaans onderzoek werd zeven weken na afkalven nog bij de helft van de koeien sporen van ontsteking in de baarmoeder gevonden. Deze koeien werden minder snel drachtig. De kans dat ze drachtig worden van de eerste inseminatie neemt met twaalf procent af in vergelijking met koeien met een gezonde baarmoeder. Een deel van witvuilers 'schoont' zichzelf op als ze tochtig worden en hoeven dus niet behandeld
te worden.Als een behandeling nodig is, dan bestaat deze uit het tochtig spuiten of het behandelen met een baarmoederinjector.

 

Plan van aanpak

De aanpak voor het verminderen van het aantal baarmoederontstekingen bestaat uit drie onderdelen.

1. Diagnose

  • Controleer de koeien de eerste zeven tot tien dagen na afkalven op koorts,matige pensvulling en/of stinkende uitvloeiing.
  • Laat de dierenarts vanaf 30 dagen na afkalven rectaal en vaginaal onderzoek uitvoeren.

2. Behandeling

  • Behandel acute baarmoederontsteking tenminste drie dagen met injectie van een daarvoor
    geregistreerd antibioticum.
  • Behandel witvuilers zonodig vanaf 30 dagen na afkalven met een baarmoederinjector of laat ze tochtig spuiten.
  • Controleer na twee tot vier weken het effect van de behandeling.

3. Preventie

  • Zorg voor een uitgebalanceerd rantsoen in de droogstand en het eerste deel van de lactatie (energie, eiwit,mineralen).
  • Zorg voor geleidelijke voerovergangen.
  • Werk zeer hygiĆ«nisch rond afkalven.
 

Wanneer insemineren?

Zodra een koe goed tochtig is; Dit kan zij alleen worden als zij goed in haar vel zit en helemaal gezond is. Stille tochtigheden treden al twee weken na afkalven plaats vinden, zij zijn niet zichtbaar voor de veehouder. Pas na zo'n 50 dagen en twee tochtigheidscycli is de cyclus op orde en kan de koe geinsemineerd worden. Er kunnen echter veel zaken anders lopen dan in deze ideale situatie. Het beste moment van insemineren is zo'n 8 tot 24 uur na het eerste begin van de tochtigheid. Ga bij veel 'mis' inseminaties liever vroeger dan later de dieren aanbieden voor inseminatie.

 

Kenmerken van goede tocht:

  • Duurt zo'n 8 uur
  • sta-gedrag
  • nerveus en opgewonden
  • bespringt andere koeien
  • wordt besprongen
  • gezwollen rode kling
  • helder taai tochtslijm, soms tot op de grond
  • daling van de melkgift
  • daling van de voeropname

 

Tussenkalftijd

In Nederland ligt deze op ongeveer 410 dagen tussen de opeenvolgende kalvingen. Economisch gezien is er nogal wat discussie wat de interessantste tussenkalftijd zou zijn. Inmiddels is men tot de conclusie gekomen dat er met iedere dag winst een besparing gehaald kan worden van ongeveer 1 euro per koe. Het aantal inseminaties dat gemiddeld nodig is, is 1,8.

 

Hulpmiddelen bij tochtherkenning

Naast de aloude koekalender en vruchtbaarheidsziektekaart en natuurlijk het gebruik van bedrijfssoftware, zijn er andere hulpmiddelen denkbaar. Bijvoorbeeld gebruik maken van stappentellers of kleurstofcapsules die een afdruk op de staartbasis achterlaten.

 

Drachtigheidscontrole.

Een belangrijk onderdeel van het management rondom de vruchtbaarheid is het periodiek controleren van koeien die drachtig moeten zijn. Hierbij kunnen koeien op een vroeg moment herkend worden als zij om wat voor reden dan ook niet drachtig blijken te zijn. Tevens kan op dat moment bepaald worden of er afwijkingen zijn aan de geboorteweg, baarmoeder-hals, -hoornen en eierstokken.

Deze controle kan op twee manieren:

Manueel, dus door opvoelen kan door een geoefende dierenarts vastgesteld worden wat de afwijkingen zijn aan bovengenoemde onderdelen.

  • Echografie, hierbij kan goed zichtbaar gemaakt worden wat de afwijkingen zijn in de baarmoeder of aan de eierstokken.

De dierenarts kan hieropvolgend een gefundeerd advies geven over de nabehandeling die plaats moet vinden.

 

MPR Pir-Dap

Een belangrijk hulpmiddel in de vruchtbaarheidsbegeleiding is de beschikbaarheid van de melkcontrole gegevens iedere 4 tot 6 weken voor de begeleidend dierenarts. Hieruit kan waardevolle informatie gehaald worden voor gebruik tijdens de begeleiding, maar natuurlijk is dit overzicht ook een goed alternatief of aanvulling voor de bedrijfssoftware.

   BedrijfsbegeleidingBedrijfsvoeringJongveeopfokKlauwgezondheidLaboratoriumUiergezondheidVoedingVoortplanting
Copyright 2008 Dierenartsenpraktijk Deurne   Privacybeleid